ONTSTAAN EN EVOLUTIE VAN DE ARTILLERIE

 

De benaming “ ARTILLERIE” komt van het Latijn: “ ars tollere”  wat vrij vertaald betekent: “ de kunst van het dragen”. Met andere woorden dus: de kennis om een projectiel door de lucht te laten vliegen over een bepaalde afstand.

De Artillerie is een zeer technisch wapen, dat juist, snel en met een vernietigende kracht kan vuren. Zij wordt in vele veldslagen als een beslissend element ingezet. Haar leuze is daarom ook zo betekenisvol:

REGIS ULTIMA RATIO

’'s Konings laatste hoop"

Reeds in de eerste jaren van onze tijdrekening gebruikten de Romeinen en andere volkeren een soort van katapult, waarbij stenen of potten kokende olie naar de vijand werden geslingerd.

Het eerste kanon heeft waarschijnlijk het daglicht gezien rond 1300. Vast staat dat de Engelse troepen bij het begin van de “ Honderdjarige Oorlog” kanonnen hebben gebruikt bij de slag van CRECY in 1346. Deze eerste kanonnen waren gesmede metalen platen, die aan mekaar werden gehouden door ijzeren ringen. Zij waren soms gevaarlijker voor de eigen troepen dan voor de vijand: na een tiental schoten sprong de loop vaak uiteen. Hun projectielen waren stenen bollen; die werden afgevuurd met buskruit dat ontstoken werd via ene zundgat.

Tot in de XV de eeuw bleef men met deze primitieve kanonnen vuren. De kanonnen stonden op karren en werden getrokken door mensen of door paarden. In de XV de eeuw werden de lopen voor het eerst uit één stuk gegoten in brons. Deze lopen hadden nog geen trekken (groeven) zolas onze moderne artillerie. De maximale dracht van deze wapens bedroeg slechts enkele honderden meters en hun projectielen waren volle kogels (bollen) van steen, lood of ijzer.

In de tweede helft van de XVde eeuw boekte de artillerie in Frankrijk grote vooruitgang. De vuurkracht werd verhoogd door het uitsluitend gebruik van metalen kogels. Ook de beweeglijkheid werd verbeterd door het veralgemeend gebruik van affuiten op wielen ( in hout, later in ijzer). Het richten gebeurde met een vizierkeep en vizierkorrel. Het gewicht van deze kanonnen varieerde van 200 tot 500 kg.

In de XVI de eeuw verscheen de artillerie ook op de oorlogsschepen en in de XVIII de eeuw kon de artillerie reeds volle kogels tot 400 meter vér schieten.

Een grote sprong vooruit kwam er in 1765. De Franse artilleriegeneraal Jean-Baptiste VACQUETTE de GRIBEAUVAL bracht een aantal ingrijpende verbeteringen aan. Hij vergrootte de dracht tot maximaal 1800 m; verdubbelde de vuurcadans ( 1 schot per minuut) en vergrootte de nauwkeurigheid door het gebruik van betere richtinstrumenten. De kanonnen, die nog steeds in brons waren gegoten, konden naast volle projectielen nu ook schrootbussen afschieten. Ook de munitiewagen deed zijn intrede bij de Artillerie.

Vanaf 1803 werden de volle projectielen geleidelijk verdrongen door een uitvinding van een Engels officier, Luitenant SCHRAPNELL. Hij ontwierp een projectiel, geladen met buskruit en loden kogels.

In 1858 verhoogde de invoering van de getrokken lopen in grote mate de nauwkeurigheid bij de artillerie. Het was de Franse fabrikant SCHNEIDER, die er mee uitpakte. Even later werd ook het laden langs de kulas ingevoerd. Vanaf 1870, vooral onder invloed van KRUPP, werden de lopen uit staal vervaardigd. Dit liet zowel een verhoging van de schootslading als van de aanvangssnelheid toe. De doeltreffende dracht reikte reeds tot 3000 meter.

Het jaar 1895 werd een nieuwe belangrijke datum in de geschiedenis van de Artillerie. Voorheen ontregelde de terugslag immers , na elk schot, het stuk en moest het steeds opnieuw worden bijgesteld. De Franse kolonel DEPORT verbond het kanon met de affuit door een wiegriem met recuperatieveer. Ook het projectiel werd nog verbeterd: het kreeg een ogiefvorm wat de luchtweerstand verkleinde en de stabiliteit verbeterde.

Het jaar 1904 was een nieuwe belangrijke mijlpaal. Voor het eerst werd een kanon voorzien van een stukskijker ( goniometer), die het indirecte schieten toeliet. Het waren de Russen die ditmaal met de eer gingen lopen tijdens de Russisch-Japanse oorlog. Vroeger moest de Artillerie haar doelen kunnen zien; nu kon zij onrechtstreeks vuren en kon zij zich verbergen om zelf niet beschoten te worden. Vanaf dan werden ook de “ Vooruitgeschoven Waarnemers” een noodzaak. De aanwijzingen van deze waarnemers werden gegeven langs veldtelefoons. ( In 1957 in ELSENBORN bestond dit systeem met lijn nog steeds – NVDR)

Rond 1928 schommelden de maximale drachten voor de meeste veldartilleriestukken tussen 10 en 12 kilometer. Er waren ook zeer logge en zware stukken die tot 30 kilometer ver konden schieten. De kalibers varieerden van 75 mm tot 420 mm…

Vanaf de TWEEDE WERELDOORLOG gebeurde de verbinding tussen de waarnemers en de stelling vooral per radio, wat een veel soepeler werking toeliet. Sinds die oorlog werden nog tal van verbeteringen aangebracht aan de Artillerie. Denken we maar aan de motoraffuiten op rupsen; de pantsering die een betere bescherming aan de bedienaars biedt; de verschillende soorten munitie; de rekentoestellen, die hun intrede doen in de schootsburelen en de topografen die met steeds nauwkeuriger toestellen werken.

De Artillerie heeft reeds een lange geschiedenis achter de rug, maar haar evolutie gaat onverstoorbaar verder: lasers, computers, speciale munitie… Het zijn maar enkele van de nieuwste ontwikkelingen. Maar daarmee zijn we zeker nog niet aan het einde gekomen, wel aan een ….nieuw begin.

 

Vrij naar 1Lt Emiel VERSTRAELEN

 

 

Naar Menu Inleiding